De laatste tijd is er veel aandacht voor fysiek zwaar werk. Aanleiding is de discussie over de AOW-leeftijd. VNO-NCW wil dit bespreken in de SER. Wouter Bos stelt voor om via de Arbo-wet meer aandacht af te dwingen voor fysiek zwaar werk: mensen moeten zonder gezondheidsproblemen tot hun pensioen kunnen werken.

Meer aandacht voor fysieke arbeid is van harte welkom. Het kan een impuls geven aan waardevolle initiatieven op dit terrein. In deze krant werd Paul Kuijer geciteerd die aangaf dat het een ‘hele klus is om fysiek werk te verlichten’. Eenvoudige aanpassingen zouden inmiddels zijn doorgevoerd. Een veel gehoorde opvatting in de wetenschap is dat het alleen nog mogelijk is om deze vorm van arbeid verder te elimineren.

Fysiek werk is echter van alle tijden en dat zal zo blijven. Twintig procent van de beroepsbevolking is werkzaam in de traditionele zware arbeid. Meestal denkt men daarbij aan de bouw of de gezondheidszorg, maar in bijvoorbeeld de logistiek werken tienduizenden mensen, die het heel gewoon vinden om dagelijks 8000 kilo te verzetten, soms veertig jaar lang.

Het is inderdaad een hele klus om daar wat aan te doen, maar dat zit meer in de omvang dan in de moeilijkheidsgraad. Er zijn namelijk vooruitstrevende bedrijven die al jaren investeren in de professionalisering van fysiek werk. In een succesvolle aanpak zien we steeds drie componenten. Allereerst: de training van de medewerkers op de werkvloer. Uit literatuuronderzoek zou blijken dat een tilcursus niet leidt tot vermindering van de uitval. Logisch, we maken ook geen professionele voetballers door middel van een instructie of voorlichtingsmiddag.

Voor veel vormen van fysiek werk is inmiddels een geschoolde motoriek ontwikkeld. Daarbij wordt rekening gehouden met algemeen aanvaarde principes die het werk aantoonbaar minder belastend maken. Het trainen van deze motoriek is vergelijkbaar met het trainen van techniek in de sport. Het is inspannend en vraagt veel oefening en coaching. Duizenden werknemers brengen deze geschoolde arbeidsmotoriek dagelijks in de praktijk. Niet omdat het moet, maar omdat het hun vakmanschap versterkt en omdat zij ervaren dat het werk daardoor minder belastend is.

Het tweede onderdeel is het opleiden van de direct leidinggevende tot coach in het fysieke werk. Dat vraagt een bijzondere expertise. Van een sportcoach vinden we het raar als die alleen leidinggevende capaciteiten heeft. De vaardigheden om motoriek over te brengen en zinvolle analyses te maken van ‘het spel’ zijn onontbeerlijk. Dat is voor de direct leidinggevenden in fysiek werk precies zo. Een groot aantal coaches bewijst de waarde hiervan. Behalve de coaching van de medewerkers levert hun deskundigheid veel zinvolle aanpassingen op in het werk.

Tenslotte: de professionele begeleiding van medewerkers met blessures. In de bestaande gezondheidszorg kent men nagenoeg geen begeleiding die doorloopt tot op de werkvloer. Meestal is het de bedrijfsarts die een opbouw aangeeft in dagen of uren. Eenmaal aan het werk moet de medewerker het verder zelf uitzoeken, waardoor de kans op terugval groot is. Ook hier kan men een vergelijking maken met professionele sport. Al meer dan twintig jaar zijn daar hersteltrainers actief, die werken met intensieve begeleidingsprogramma’s. Uiteraard vindt deze begeleiding grotendeels plaats op het speelveld. In diverse bedrijven wordt een vertaling van dit idee van strakke trainingsprogramma’s, gebaseerd op gedoseerde belasting en doorlopend tot op de werkvloer, met succes toegepast.

Het zou mooi zijn als dit meer ingang kreeg in de gezondheidszorg. Verzekeraars kunnen dit stimuleren door deze vorm van begeleiding te vergoeden en de eis dat de begeleider een fysiotherapiepraktijk heeft met wachtkamer en massagebank los te laten.

Om professionalisering van fysiek werk op grote schaal door te voeren, is ondersteuning nodig van onderwijs en wetenschap. De bewegingswetenschapper kan zijn deskundigheid op arbeidsmotoriek en trainingsmethodiek richten. Financiering mag geen probleem zijn, immers de maatschappelijke relevantie is evident. In de opleiding voor fysiotherapie is aandacht voor arbeidsmotoriek noodzakelijk. Die is er niet of nauwelijks, terwijl de fysiotherapeut wel vaak het werk als oorzaak van een klacht aanmerkt.

In het beroepsonderwijs wordt helaas weinig aandacht besteed aan het fysieke aspect. Meestal gaat het niet verder dan een korte instructie. Maar je zou aankomende stukadoors en metselaars in vier jaar opleiding ook kunnen trainen om met hun niet-voorkeurshand te werken. Dit kan veel eenzijdige belasting wegnemen. Een training in arbeidsmotoriek in het onderwijsprogramma integreren zou een positieve impuls geven aan het imago van het werk.

Professionalisering van fysiek werk is mogelijk, maar het kan nooit een garantie geven voor een verlenging van de arbeidzame periode tot 67 jaar. Veel mensen met fysiek zwaar werk komen nu al niet in de buurt van de AOW-leeftijd. Een mooi begin zou zijn als de focus, die nu gericht is op de laatste twee jaren, afbuigt naar de jaren die daar aan voorafgaan. Dan krijgt het fysiek werk eindelijk de aandacht die het verdient.

Bron: Eindhovens Dagblad: Zwaar werk vereist een professionele aanpak

Shares